Categories: Apologetiek 2 Comments

Jezus is niet God, zeiden ze me…

Jehova’s getuigen

Kort geleden had ik een fijn gesprek met twee dames van de Jehova’s getuigen, die bij mij aan de deur hadden aangebeld. Na het gesprek met wat small talk begonnen te zijn, kwamen wij ter zake. Zij begonnen met te zeggen, “Misschien heb je gehoord dat wij geen christenen zijn, maar ik verzeker je dat we dat wel zijn.”

Ik vroeg hen: “Hoe kunnen Jehova’s getuigen beweren christen te zijn wanneer ze niet eens het kerngeloofspunt van de eerste christenen delen, namelijk, dat Jezus God is?” Een van hen antwoordde, “Maar daar vergis je je. De eerste christenen geloofden niet dat Jezus God was. Zij geloofden dat Hij een god was (Johannes 1, 1) – het meest verheven geestelijk schepsel maar nog altijd inferieur aan Jehova.”

Is dit waar? Geloofden de eerste christenen dat Jezus niet gelijk was aan de Vader? Laten we eens een kijkje nemen.  

Hoe wordt het woord “God” in de Bijbel gebruikt

De passage uit Johannes die de dames citeerden, is een verkeerde vertaling uit hun Nieuwe Wereldvertaling (NWV) van de Bijbel. Jehova’s getuigen beweren dat in het oorspronkelijke Grieks niet het bepaald lidwoord (de) voor God heeft staan. En omdat “God” hier een onbepaald woord is, is het onbepaald lidwoord (een) verondersteld. Daarom verwijst Johannes niet naar Jezus als de God, zoals in Jehova, maar slechts als een god; daarom is de tekst in de Nieuwe Wereldvertaling, “het Woord was een god.”

Toch is dit niet noodzakelijkerwijs waar. Het is een algemene regel in Koine Grieks (het Grieks van het Nieuwe Testament) dat wanneer het onderwerp en lijdend voorwerp beide in de nominatief staan, zoals ze staan in de frase “het Woord was God,” dat dan het gezegde normaalgesproken geen bepaald lidwoord heeft, omdat het bepaald lidwoord gebruikt wordt om het onderwerp van het gezegde te onderscheiden. Het gebruik laat ons niet zien dat het gezegde een onbepaald lidwoord nodig heeft.

Bovendien volgt de NWV niet haar richtlijn van vertaling, zelfs niet in de directe context. Het woord theos (god) verschijnt acht maal in de verzen één tot en met achttien, en slechts twee keer wordt het bepaald lidwoord (Gr. ho) ervoor gebruikt – in de verzen één en twee. Van de zes keer dat theos gebruikt wordt zonder het bepaald lidwoord, vertaalt de NWT het slechts eenmaal als “een god,” en dat is in Johannes 1, 1 waar het verwijst naar het Woord. Het lijkt mij dat zij hier eenvoudig proberen hun bewering te staven dat Jezus niet God is.

Jezus als “de God”

Als onze JG-vrienden er op staan dat wij ze een referentie geven over Jezus als God met het bepaald lidwoord, dan blijven wij niet in gebreke. Neem bijvoorbeeld Johannes 20, 28, waar de apostel Thomas tot Jezus zegt: “ho kurios mou, kai ho theos mou,”. Letterlijk vertaald is dat: “de Heer van mij en de God van mij.”

Nadat Johannes christenen bemoedigt heeft dat zij in Jezus Christus, “de ene die waar is,” zijn, zegt hij over Jezus, “Dit is de ware God [ho alethinos theos] en eeuwig leven” (1 Johannes 5, 20). Johannes noemt Jezus ook “God” met het bepaald lidwoord in Openbaringen 22, 6: “[D]e Heer, de God [ho theos] van de geesten der profeten, heeft zijn engel gezonden om zijn dienaren te laten zien wat er snel zal plaats moeten hebben.” Enkele verzen later, identificeert Johannes Jezus als degene die de engel zendt (v. 16).

De auteur van de brief aan de Hebreeën voegt zich bij de rangen van Paulus en Johannes wanneer hij Psalm 45, 6 citeert en deze op Jezus toepast: “Maar van de Zoon zegt Hij [de Vader], ‘Uw troon, O God [ho theos], is voor altijd en eeuwig” (Hebreeën 1, 8). De auteur van Hebreeën ziet in Psalm 45, 6 God de Vader Jezus de God noemen.

Als de JG niet geloven dat Jezus de God is, maar de christenen uit de eerste eeuw (inclusief de schrijvers van de Bijbelboeken) dat wel deden, dan zijn de JG blijkbaar geen christenen. Hoe zouden ze het kunnen zijn, als ze iets over Jezus geloven, dat in directe tegenspraak is met wat de eerste christenen- en alle christenen sindsdien – geloofden?

Jezus de ongeschapen Schepper

Je zou denken dat als de vroege christenen geloofden dat Jezus iets minder dan God zou zijn, zij niet naar Hem zouden verwijzen als de schepper van alle geschapen dingen, want volgens Jesaja 44, 24 maakte God alleen “alle dingen.” Maar toch is dit precies wat zij deden.

In 1 Korinthiërs 8, 6 beschrijft Paulus Jezus als Degene “door Wie alle dingen bestaan en door Wie wij bestaan.” Hoe kan Jezus verantwoordelijk zijn voor het bestaan van alle dingen in het hier en nu als Hij God niet is? De macht om de geschapen dingen in bestaan te houden behoort enkel aan een wezen dat puur ‘zijn’ zelf is, wat alleen God is. Dus als Paulus denkt dat Jezus deze macht had, dan gelooft hij dat Jezus God is.

En merk op dat Jezus niet behoort tot de categorie van “alle dingen die in bestaan gehouden worden.” Dat betekent dat Jezus de ongeschapen Schepper is, wat het geloof van de JG weerspreekt dat Jezus slechts een schepsel was, direct door Jehova geschapen, en dat Jehova Jezus gebruikte om alle andere dingen te scheppen.  

Paulus’ leer komt overeen met die van de apostel Johannes, die over Jezus zegt dat “alle dingen door hem gemaakt zijn, en zonder hem er niets gemaakt was dat gemaakt is” (Johannes 1, 3). Zoals Paulus, sluit Johannes Jezus hier buiten de categorie van de geschapen dingen. Jezus behoort niet tot de categorie van “alle dingen die gemaakt zijn.” Met andere woorden, Jezus is de ongeschapen Schepper.

De goddelijkheid van de heilige Geest

Nog een ander wezenlijk christelijk geloofspunt uit de eerste eeuw, dat niet overeenkomt met de doctrine van de Jehova’s getuigen is de goddelijkheid van de heilige Geest. Beschouw 1 Korinthiërs 2, 11, waar Paulus zegt: “[N]iemand begrijpt de gedachten van God behalve de Geest van God.” Hoe kan de Geest de oneindige gedachten van God vatten tenzij Hij ook oneindig is qua kennis? Als de heilige Geest alwetend is, dan is Hij gelijk aan God.

Een volgend voorbeeld is Handelingen 5, 1-4. Hier berispt Petrus Ananias en Sapphira omdat zij gelogen hebben tegen de heilige Geest, maar een paar zinnen later zegt hij dat zij tegenover God gelogen hebben. Hoe kan het liegen tegenover de heilige Geest hetzelfde zijn als liegen ten opzichte van God tenzij de heilige Geest God is?

We kunnen ook kijken naar Hebreeën 10, 15-17 waar de tekst Gods belofte van een nieuw verbond in Jeremia 31, 31-33 citeert, maar deze inleidt door te zeggen, “De heilige Geest getuigt ook . . . door te zeggen . . .”. Merk op dat Gods woorden de woorden van de heilige Geest zijn. Het is overduidelijk, dat de christenen uit de eerste eeuw geloofden dat de heilige Geest God is.

Net zoals bij Jezus, missen de JG het punt als het komt op de leer van het Nieuwe Testament over de goddelijkheid van de heilige Geest. En omdat zo’n leer tot het hart van het christendom behoort, sluit hun ontkenning daarvan hen uit om hen nog passend christen te noemen.

Klaarheid waar verwarring heerst

Sommige lieden kunnen wat ongedurig worden wanneer katholieken zeggen dat Jehova´s getuigen geen christenen zijn. “Hoe kunnen ze zeggen dat zij geen christen zijn wanneer ze toch zulke aardige mensen zijn? Is dat niet een beetje triomfalistisch om te zeggen dat zij geen christen zijn?”

Maar ik denk niet dat het triomfalistisch is, omdat de bedoeling is klaarheid te brengen waar verwarring heerst. Precies als wanneer iemand aan vrouwen rond zou bazuinen dat ik een vrijgezel ben die op zoek is naar een vrouw om mee te trouwen; zo’n misverstand zou gecorrigeerd moeten worden voordat mijn vrouw ongewenste telefoontjes begint te beantwoorden!

En, ja, Jehova´s getuigen kunnen goede, aardige, plezierige mensen zijn. Maar hun foute inzicht dat Jezus slechts een schepsel zou zijn, en dat zo’n geloofspunt christelijk zou zijn, moet gecorrigeerd worden voor het geval dat andere mensen die de deur opendoen voor deze dames met wie ik gesproken, misleid zouden worden en nooit de ware Jezus zouden leren kennen.

Dit artikel is een vertaling van de blog van Karlo Broussard, eerder verschenen op Catholic Answers

Comments (2)

  1. Een Christen is een volgeling van Jezus. Een volgeling is een iemand die het voorbeeld van iemand probeert te volgen, en zich door hem laat onderwijzen. Over de relatie tussen Jezus en zijn Vader leert de bijbel veel. Jezus leerde tot zijn Vader te bidden met de woorden “Onze Vader in de hemel, Uw naam worde geheiligd…” (Mat. 6:9). De heiliging van Gods naam vond hij uitermate belangrijk. Dat blijkt uit wat hij over zijn Vader leerde.

    Daarom leerde hij zijn discipelen niet zijn eigen ideeën, maar was zo eerlijk te zeggen dat wat hij onderwees, hij van zijn Vader had geleerd (Joh. 7:16; 12:49). Daarmee gaf hij ook toe dat zijn Vader wijzer is dan hij. Ook zei Jezus dat zijn Vader groter is dan hij (Joh 14:28), zoals elke zoon eer en respect verschuldigd is aan zijn vader. Dat zijn Vader ook meer autoriteit heeft dan Jezus blijkt bijvoorbeeld ook uit 1 Kor. 15:24-28, waarin de bijbel uitlegt dat na de 1000-jarige regering over de aarde van Gods koninkrijk onder leiding van Jezus, Jezus de herstelde aarde en mensheid weer overdraagt aan zijn Vader, en zichzelf aan Hem onderwerpt. Jezus zal dan ook die toewijzing succesvol volbracht hebben. In overeenstemming daarmee verklaarde Jezus dan ook dat de Vader van zijn discipelen ook zijn Vader is, en dat de God van de mensen, ook zijn God is. In Joh. 20:17 zegt hij over zijn hemelvaart dat hij naar Zijn Vader en God gaat. Jezus is duidelijk niet JHWH, zo blijkt uit zijn onderwijs. Een goede vertaling en uitleg van o.a. Johannes 1:1 zal daarmee overeen moeten komen.

    Jezus leerde zijn discipelen de juiste betekenis van Gods woord, die in zijn tijd door de religieuze leiders verkeerd werd begrepen, verkeerd werd uitgelegd en vaak ook verkeerd werd toegepast. Hij gaf aan zijn discipelen de opdracht om discipelen te maken, en het goede nieuws van Gods koninkrijk bekend te maken tot het uiteinde van de wereld (Mat. 28:18-20). Jezus gaf zijn discipelen ook de opdracht om geen deel uit te maken van deze wereld, omdat Gods koninkrijk ook geen deel uitmaakt van deze wereld (Joh. 18:36). Christenen kunnen dus slechts loyaal zijn aan 1 koning. Ook gaf Jezus het gebod dat ze liefde onder elkaar moesten hebben, zoals hij hen had liefgehad (Joh. 13:34, 35). Jezus’ liefde was zo groot dat hij zijn leven gaf als zondeoffer voor iedereen, onder voorwaarde dat ze hem zouden volgen.

    Op grond van bovenstaande kan ik zonder enige twijfel zeggen dat Jehovah’s getuigen discipelen van Jezus zijn, christenen, en dat hun begrip overeenkomt met Jezus onderwijs. Daardoor heiligen ze Gods naam, en maken die wereldwijd bekend. Ze prediken wereldwijd het goede nieuws van Gods koninkrijk (Mat. 24:14), zijn alleen loyaal aan Gods koninkrijk, en hebben liefde onder elkaar. Ze worden niet verdeeld door etnische, nationale, talige, sociaal-economische, politieke of andere scheidslijnen. Ook uit andere zaken blijkt dat. Hoe anderen hun eigen religie op deze punten beoordelen laat ik graag aan anderen over.

    Voor meer informatie over grammaticale argumenten zie: https://wol.jw.org/nl/wol/d/r18/lp-o/1001060096#h=1:0-120:0

    1. Beste Robert,

      Als eerste: als het eeuwen lang, ongeveer 1800 jaar, op een unanieme is geïnterpreteerd dat Jezus de Zoon van God en ook één in wezen is met de Vader, dus Zelf God, hoe is een andere interpretatie dan ineens te rechtvaardigen?
      De uitzonderingen, als u daarnaar zou willen gaan refereren, zijn altijd duidelijk uitzonderingen geweest en erkent als dwalingen.
      Dit is niet het belangrijkste argument, want inhoudelijk kan dit natuurlijk stevig onderbouwd worden, maar toch belangrijk om in gedachten te houden!

      U legt in ieder geval een paar passages al verkeerd uit als het gaat om de uitspraken van Jezus die gaan over zijn afhankelijkheid van de Vader. Als u de vroege concilies en kerkvaders erop naleest zult u zien dat dit niet in tegenspraak gebracht kan worden met de ware goddelijkheid van Jezus zelf.

      Interessant vind ik altijd dat het soms de tegenstanders van Jezus zijn die zijn claims tot goddelijkheid voor ons bevestigen, zoals in Matteüs 26, 64-65:
      Jezus gaf hem ten antwoord: “Gij zegt het. Maar Ik zeg U: vanaf nu zult ge de Mensenzoon zien zitten aan de rechterhand van de Macht en komen op de wolken des hemels.” Toen scheurde de hogepriester zijn kleed en riep uit: “Hij heeft God gelasterd; waartoe hebben wij nog getuigen nodig? Gij hebt nu toch de godslastering gehoord!

      Door het citaat van Jezus, dat komt uit Daniël 7, is het voor de hogepriester blijkbaar duidelijk genoeg dat Jezus goddelijkheid claimt en Hem dus beschuldigd van godslastering.

      Goed, zo kunnen we nog wel even doorgaan. Belangrijk is dat we de Bijbel niet “gebruiken” om ons eigen gelijk te laten zien, maar de Bijbel binnen de juiste context tot ons laten spreken. De Kerkvaders en hun interpretatie van de vroegste eeuwen is daar cruciaal voor. Als we daarnaar kijken wordt uw interpretatie niet ondersteund.

      P.S. U zou er ook goed aan doen vooral te reageren op de referenties in dit artikel. U haalt uw eigen dingen aan, maar gaat voorbij aan wat er in dit artikel beargumenteerd wordt, behalve de argumentatie m.b.t. de proloog van het Johannes Evangelie. Dat is slechts één stukje van de puzzel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *