Categories: Bijbel

Vaticaans Concilie: diepere interesse in de Schrift

uit: L’Osservatore Romano, August 22, 1968

Bishop Donald Herlihy

Iedere ochtend vond er tijdens het Tweede Vaticaans Concilie een eenvoudige, maar indrukwekkende ceremonie plaats in de Sint Pieter. Het Evangelieboek werd bewierookt. Deze ceremonie gaf te kennen, dat Christus het hoofd van het Concilie was—Christus als leraar temidden van zijn discipelen. Het duidde aan dat Christus aanwezig was door middel van zijn woord en door de bijstand van zijn leer. Het herinnerde de concilievaders eraan dat Christus, wiens woord de waarheid is, de grote en rechtvaardige rechter van al hun overleg was. Maar, bovenal, gaf het dagelijks uiting aan de wens voor een hernieuwde waardering van het woord Gods in de theologie en de liturgie, en de oproep van recente pausen van Leo XIII tot Pius XII te versterken om de heilige Schrift hoger te achten en de Bijbel meer lief te hebben. “Ons fervent en zeker vertrouwen is het dat de gelovigen zichzelf in groeiende getalen zullen toeleggen op het frequenter lezen van de Bijbel en daaruit licht en kracht voor de redding van hun zielen zullen verkrijgen” (Pius XII).

Het is met een zekere aarzeling dat wij onze liefde voor de heilige Schrift verklaren. Wij aarzelen omdat onze kennis van de heilige Schrift begrensd is en omdat liefde altijd evenredig opgaat met kennis. Wij weten maar al te weinig over de Bijbel. Wij weten al te weinig over de rol die het speelt in het leven en het gebed van de Kerk.

De Bijbel is Gods Boek

Het verbaast ons niet dat de Constitutie Dei Verbum – over de Goddelijke Openbaring (CDV), die gaat over de Schrift en de Traditie als bronnen van die openbaring, veel meer ruimte aan de Schrift wijdt dan aan de Traditie. De unieke waarde van de Bijbel is dat het Gods boek is. Dit aanvaarden we vreugdevol, maar dat doen we alleen omdat de Kerk ons een garantie geeft dat het dit is. God zelf heeft het ons niet direct zo gezegd. Evenzo hebben we de Kerk nodig om de Bijbel voor ons te interpreteren. Niet alles erin is duidelijk en veel is er moeilijk te begrijpen. “In deze geest heeft ook onze geliefde broeder Paulus u geschreven met de hem verleende wijsheid, evenals in alle brieven, wanneer hij over deze dingen spreekt. Daarin komt het een en ander voor dat moeilijk is, en waarvan de betekenis door onwetende en onstandvastige lieden tot hun eigen verderf wordt verdraaid; hetzelfde doen zij trouwens met de overige geschriften “(2 Petrus 3, 16).

Er zijn vele zaken in de heilige Schrift die op verschillende manieren begrepen kunnen worden. Mensen kunnen de Bijbel lezen en vaak, in alle oprechtheid, tot verschillende conclusies komen die thema’s betreffen die zeer belangrijk zijn. Wij kennen God niet als iemand die ons een boodschap geeft en het ons dan onmogelijk maakt om tot de juiste betekenis ervan te geraken. Wij hebben iemand nodig die ons de bedoeling van God kan mededelen. We hebben een echte, levende, gezagvolle stem nodig die ons het juiste antwoord kan geven. Anders is de Bijbel slechts een interessante verzameling vrome boeken en volksverhalen.

De Kerk die Christus gesticht heeft is de vertolker van Gods bedoeling. Christus gaf haar het gezag om in zijn Naam te spreken. “De taak nu om op authentieke wijze het geschreven of overgeleverde woord Gods te verklaren is alleen aan het levend leerambt van de Kerk toevertrouwd, dat zijn gezag uitoefent in naam van Jezus Christus.” (CDV, 10). Terwijl de Constitutie het leergezag van de Kerk voor onze begeleiding in het uitleggen van de heilige Schrift erkent, bemoedigt ze ons om de Bijbel zo te bekijken dat het onze kennis van God en de wegen van God verdiept en onze liefde voor Hem vergroot. De Bijbel is een zekere bron voor een gezonde en uitgebalanceerde spiritualiteit. “Want in de heilige Boeken treedt de hemelse Vader zijn kinderen vol liefde tegemoet en spreekt Hij met hen. En zo groot is de werking en de kracht van het woord Gods, dat dit de grondpijler en de levenskracht van de Kerk uitmaakt en voor de kinderen der Kerk de sterkte is van het geloof, de spijs voor hun ziel, de zuivere en ononderbroken stromende bron van het geestelijk leven.” (CDV, 21).

Schrijvers door God uitgekozen

Alle christenen zijn het eens over het heilig karakter en de goddelijke oorsprong van de Schriften. God zelf is hun auteur. Zij bestaan uit zijn opgeschreven woord, zoals die aan mensen voor hun redding gecommuniceerd is. Om deze heilige boeken samen te stellen heeft God mensen uitgekozen die schreven onder een speciale goddelijke invloed die inspiratie wordt genoemd. Deze auteurs stond God bij in het gebruik van hun mogelijkheden en talenten, maar Hij veronachtzaamde niet hun vrije wil en Hij veranderde ook niet hun normale methode en stijl van schrijven.

Lucas zegt dat hij een nauwkeurig onderzoek had uitgevoerd als voorbereiding voordat hij begon te schrijven. “Vandaar, edele Teófilus, dat ook ik besloot – na van meet af aan alles nauwkeurig te hebben onderzocht, – voor u een ordelijk verslag te schrijven” (Lucas 1, 3). Zij schreven als door God aangestuurd. Zij schreven alles wat Hij wilde en niets meer. Zij gebruikten hun eigen stijl en schreven onder de invloed van de omstandigheden en cultuur die in hun tijd heerste. Daarmee brachten zij de wijsheid van God terug tot op het niveau dat kon worden begrepen door de mensen aan en voor wie zij schreven.

De boeken van de heilige Schrift zijn daarom geschikt voor het doel van God, omdat zij “met zekerheid, trouw en zonder dwaling de waarheid leren, die God omwille van ons heil in de heilige Boeken wilde doen vastleggen” (CDV, 11). En Paulus kan schrijven, dat “elk door God geïnspireerd geschrift ook dient om te onderrichten in de waarheid en dwalingen te weerleggen, om de zeden te verbeteren en de mensen op te voeden tot een rechtschapen leven, zodat de man Gods voor zijn taak berekend is en toegerust voor elk goed werk.” (2 Timoteüs 3, 16–17).

Deze uitverkoren mannen die, onder goddelijke inspiratie, een bijdrage leverden aan de boeken van de heilige Schrift hebben een blijvend verslag van de heilsgeschiedenis, van de liefde van God voor de mensen, nagelaten. Over sommigen weten we heel veel; over anderen heel weinig; maar allen waren mede-gelovigen in de ene ware God. Zij schreven voor ten behoeve van de synagoge en de Kerk en hun werk dient het volk van God tot aan het einde der tijden.

Bereikbaar voor allen door vertalingen

De heilige Schrift—soms de bibliotheek van God genoemd—bestaat uit tweeënzeventig boeken, vijfenveertig in het Oude Testament en zevenentwintig in het Nieuwe. Sommigen zijn al 3000 jaar geleden geschreven. De talen waarin zij zijn geschreven zijn Hebreeuws, Aramees en Grieks. Maar zij zijn in andere tijden vertaald naar andere talen, wanneer daar behoefte aan was. In de moderne tijd, vanaf de uitvinding van de pers en de vooruitgang van het onderwijs, zijn er geprinte versies van de Bijbels te vinden in elk taalgebied. “Omdat het woord Gods ter beschikking moet staan van de mensen van alle tijden, is de Kerk met moederlijke zorg er steeds op uit om aangepaste en nauwkeurige vertalingen te laten maken in de verschillende talen, bij voorkeur uit de oorspronkelijke teksten van de heilige Boeken. Komen deze vertalingen tot stand, ook in samenwerking met de afgescheiden broeders, waar dit mogelijk is en het kerkelijk gezag zulks goedkeurt, dan kunnen ze door alle christenen gebruikt worden.” (CDV, 22).

De Evangeliën, het belangrijkste gedeelte van het Nieuwe Testament, brengt ons het goede nieuws van de komst van Christus op aarde, de vervulling van Gods belofte. Daarin is verslag gelegd over Zijn daden en woorden. Deze zijn eerst mondeling verkondigd. Mettertijd werden zij door diverse schrijvers opgeschreven, en van deze geschriften zijn er vier met speciale verering aanvaard door de vroege Kerk. Alle vier lijken hetzelfde patroon te volgen: de verkondiging door Johannes de Doper, de zending van onze Heer in Galilea, de zending van onze Heer in Judea en Jeruzalem, zijn passie en dood, zijn Verrijzenis en Hemelvaart.

Vanwege hun verschillende omstandigheden, verschillen de Evangeliën op veel wijzen van elkaar. Maar zij verkondigen alle de fundamentele waarde over Jezus Christus, Mensenzoon en Gods zoon. “Het is voor iedereen duidelijk, dat onder alle boeken van de Schrift, ook van het Nieuwe Testament, de Evangelies terecht de eerste plaats innemen, omdat zij het voornaamste getuigenis zijn over het leven en de leer van het vleesgeworden Woord, onze Verlosser.

De Kerk heeft altijd en overal geleerd en leert nog, dat de vier Evangelies van apostolische oorsprong zijn. Want wat de apostelen op bevel van Christus hebben gepreekt, is door hen zelf en door apostolische mannen onder de ingeving van de Heilige Geest later schriftelijk aan ons doorgegeven als de grondslag van het geloof, namelijk het Evangelie in zijn vier vormen volgens Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes.” (CDV, 18).

Naast de vier Evangeliën, bevat de canon van het Nieuwe Testament de brieven van Paulus en andere apostel-geschriften die onder de inspiratie van de heilige Geest zijn opgesteld. De brieven van Paulus zijn de eerste poging tot christelijke theologie, uitgewerkt door een man met een diepe religieuze overtuiging en geheel toegewijd aan de liefde tot God en zijn medemensen. Paulus is niet alleen de eerste grote theoloog: alle theologen na hem zijn van hem uitgegaan en zijn door zijn inzichten in het mysterie van de verlossing verrijkt.

Onbekendheid met de Schrift—onbekendheid met God

De brieven van Paulus hebben een andere betekenis die hen uniek maakt. Zij zijn de vroegste christelijke geschriften, ouder dan alle andere geschriften van het Nieuwe Testament, de Evangeliën incluis. Zij zijn, daarom, de vroegste getuigenis van de geloofsschat zoals die bekend en aanvaard was door de eerste navolgers van Christus.

Sinds het Tweede Vaticaans Concilie heeft men beperkt dat er een diepere interesse in de Schrift gewekt is. Meer mensen lezen tegenwoordig het woord van God. Veel manieren zijn er bedacht om hen te bemoedigen de Schriften te bestuderen en lief te hebben. Studiekringen zijn opgericht, Bijbelse diensten worden gehouden, gidsen om de Schrift te lezen zijn uitgegeven, alles in lijn met de geest en de aanwijzingen van Vaticanum II.

Eveneens spoort de Heilige Synode alle christenen en vooral de religieuzen met aandrang en met nadruk aan, zich door het veelvuldig lezen van de goddelijke Schriften “de alles overtreffende kennis van Christus Jezus” (Fil. 3, 8) eigen te maken. “Want de Schrift niet kennen, betekent Christus niet kennen”. Zij moeten zich dus graag wenden tot de heilige tekst zelf, hetzij door de heilige Liturgie, die zo rijk is aan woorden van God, hetzij door godvruchtige lezing, hetzij door instellingen die daarvoor geschikt zijn en door andere hulpmiddelen, die met goedkeuring van de bisschoppen en door hun zorg tegenwoordig overal op zo loffelijke wijze worden verbreid.” (CDV, 25).

De liturgie is, natuurlijk, de beste manier waarop wij bekend kunnen raken met het woord van God, omdat daar het lezen en de uitleg van de Schrift plaatsvindt binnen het kader van de Mis. Het eerste deel van de Mis, dat we nu de liturgie van het Woord noemen, brengt opnieuw de synagoge-dienst van de Joden naar voren bestaat bijna exclusief uit het lezen en de uitleg van de Schriften. Onze Heer zelf canoniseerde deze vorm van gebed. “Zo kwam Hij ook in Nazareth, waar Hij was grootgebracht, ging volgens zijn gewoonte op de sabbatdag naar de synagoge en stond op om voor te lezen. Ze reikten Hem de boekrol van de profeet Jesaja aan. Hij opende de rol en vond de plaats waar geschreven stond: De Geest des Heren is over mij gekomen, omdat Hij mij gezalfd heeft. Hij heeft mij gezonden om aan armen de Blijde Boodschap te brengen, aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken, en aan blinden, dat zij zullen zien; om verdrukten te laten gaan in vrijheid, om een genadejaar af te kondigen van de Heer. Daarop rolde Hij het boek dicht, gaf het terug aan de dienaar en ging zitten. In de synagoge waren aller ogen gespannen op Hem gevestigd. Toen begon Hij hen toe te spreken: ‘Het Schriftwoord dat gij zojuist gehoord hebt, is thans in vervulling gegaan.’ Allen betuigden Hem hun instemming en verbaasden zich, dat woorden, zo vol genade uit zijn mond vloeiden.” (Lucas 4, 16–22).

Dit artikel verscheen eerder op Catholic Answers