eucharistie
Categories: Apologetiek

De vroege Kerk geloofde in de eucharistie

In een recent artikel dat veel online aandacht heeft gekregen beweert de protestantse apologeet Brian Culliton dat een zorgvuldige lezing van de vroege Kerkvaders aantoont dat zij niet geloven in de werkelijke tegenwoordigheid van Christus in de eucharistie.

De bespreking op Catholic Answers over “de werkelijke tegenwoordigheid” voorziet in een algemeen antwoord op dergelijke beweringen. Maar laten we een nauwkeuriger blik werpen op de leer van drie vroege Kerkvaders die qua tijd het dichtst bij de apostelen staan—de heilige Ignatius van Antiochië, de heilige Justinus de Martelaar, en de heilige Irenaeus—en Cullitons standpunt beoordelen.

Culliton beargumenteert dat Ignatius en andere Kerkvaders een louter symbolische opvatting hadden over de eucharistie en dat hun woorden figuurlijk begrepen zouden moeten worden. Culliton bevestigt wel de klassieke passage die katholieken citeren om te zeggen dat Ignatius in de werkelijke tegenwoordigheid geloofde:

Zij [de doceten, vroeg-christelijke ketters] zien af van de eucharistie en van het gebed omdat zij niet belijden dat de eucharistie het vlees is van onze Redder Jezus Christus, vlees dat voor onze zonden heeft geleden en dat de Vader, in zijn goedheid, weer heeft doen opstaan. Zij die de gave van God ontkennen gaan ten onder in hun disputen (Brief aan de inwoners van Smyrna 6:2–7:1 [A.D. 110]).

Echter, Culliton beweert dat Ignatius hier eenvoudigweg leert dat de doceten de Incarnatie en het Paasmysterie (Christus’ ene offer op Calvarië) niet aannamen, en niet dat zij op ketterse wijze de werkelijke tegenwoordigheid van Christus in de eucharistie ontkenden. Toch is Cullitons opvatting op zijn vroegst te dateren in de protestantse reformatie. Bovendien komt zijn standpunt niet overeen met de duidelijke betekenis van Ignatius’ uitleg, woorden die de heilige elders nogmaals bevestigt:

Ik heb geen honger naar vergankelijk voedsel, noch naar de geneugten van dit leven. Ik verlang naar het brood van God, wat is het vlees van Jezus Christus, die uit het zaad van David was; en als drank verlang ik zijn bloed, dat onvergankelijke liefde is (Brief aan de Romeinen 7:3 [A.D. 110], cursivering is toegevoegd).

Culliton heeft het bij het rechte eind wanneer hij zegt dat “Ignatius verkondigt dat de gave van God het eeuwige leven is, mogelijk gemaakt door het offer van Christus.” Maar hij begrijpt niet hoe het ene offer van Calvarië in zijn voltooide, verheerlijkte vorm onder de sacramentele verschijningsvormen van brood en wijn tegenwoordig wordt gesteld.

Over de eerste apologie van de heilige Justinus de Martelaar zegt Culliton: “Eerder in zijn apologie verdedigde Justinus zich ten opzichte van beschuldigingen dat christenen menselijk vlees en bloed zouden consumeren.” Culliton verwijst naar Justinus’ woorden in hoofdstuk 26, waarin hij schrijft: “En of zij zulke fabelachtige en schandelijke praktijken begaan—het omverwerpen van de lamp, promiscue seksuele omgang, en het eten van menselijk vlees—daar weten wij niet van.” Hier vaart Justinus, zoals Culliton terecht opmerkt, uit tegen diegenen die beweren dat christenen zich aan kannibalisme schuldig maken.

De eucharistie is geen kannibalisme. Jezus geeft zijn heel erg levende en verheerlijkte lichaam en bloed op een sacramentele wijze, niet als een menselijk lichaam dat op een groteske, driedimensionale manier gegeven wordt. Zoals Justinus iets later schrijft: “En waarover wordt gesproken als het bloed van de druif, betekent dat hij die zou verschijnen bloed zou hebben, maar niet uit het zaad van de mens, maar uit de kracht van God” (eerste apologie 32). Inderdaad, de eucharistie is niet het bloed van een mens maar dat van de God-mens die vlees geworden is (Johannes 1, 14) en die zo goddelijke kracht heeft verbonden in het geven van zijn lichaam en bloed als verlossend voedsel.

Culliton beweert door Justinus latere woorden in hoofdstuk 65 te citeren, dat “christenen het vlees en bloed niet op een vleselijke manier tot zich nemen, maar veeleer als brood en wijn gemengd met water: ‘het nuttigen van brood en wijn met water gemengd’” (cursivering is van Culliton). Toch bevestigt Justinus hier zowel de symbolische natuur van de eucharistie—namelijk dat het de verschijningsvorm heeft van brood en wijn—en ook dat het is het lichaam, bloed, ziel en goddelijkheid van Jezus, zoals hij verderop zegt in de hoofdstukken 65-66:

Maar wij ontvangen deze niet als gewoon brood en gewone drank; maar op dezelfde manier als Jezus Christus onze Verlosser die, vleesgemaakt door het woord van God, zowel vlees als bloed had aangenomen voor onze verlossing, zo zijn wij op gelijke wijze onderwezen dat het voedsel dat gezegend is door het gebed van zijn woord, en waarvan onze bloed en vlees door omzetting gevoed wordt, het vlees en bloed is van Jezus die vleesgeworden is. Want de apostelen, in de herinneringen die door hen zijn opgesteld, die de Evangeliën genoemd worden, hebben zo aan ons overgeleverd wat hen op het hart gedrukt was; dat Jezus het brood nam, en toen hij dankgezegd had, gezegd heeft: “Doe dit tot mijn gedachtenis, dit is mijn lichaam;” en dat hij, op dezelfde wijze, na de beker te hebben opgeheven en dank te hebben gezegd, gezegd heeft: “Dit is mijn bloed;” en het alleen aan hen gegeven heeft (eerste apologie 66; cursivering toegevoegd).

Op dezelfde wijze beschrijft Jezus zichzelf als “het brood van leven” en zegt Hij ook, ter ontsteltenis van veel volgelingen, dat zijn vlees en bloed echt voedsel en echte drank is—en daarom “niet als gewoon brood” ontvangen moet worden. In dit licht stemt de Kerk overeen met Culliton “dat christenen [Christus’] vlees en bloed niet op een vleselijke manier nuttigen,” want wij nuttigen het op een geestelijke wijze, in een hele en onverdeelde wijze onder de verschijningsvorm van brood en wijn. En toch nuttigen we het werkelijke lichaam en bloed van Jezus, zoals verscheidene eucharistische wonderen (bijvoorbeeld die in Lanciano) aantonen.

Wat betreft de heilige Irenaeus, citeert Culliton uit het magnum opus van de heilige, Tegen Ketterijen, boek IV, hoofdstuk 18, 5:

Want zoals het brood, dat is voortgebracht door de aarde, nadat het de aanroeping van God heeft ontvangen, niet langer gewoon brood is, maar de eucharistie, en bestaat uit twee werkelijkheden, de aardse en de hemelse; zo ook zijn onze lichamen, wanneer zij de eucharistie ontvangen, niet langer vergankelijk, maar hebben zij hoop op de verrijzenis tot de eeuwigheid.

“Ook hier is de context de verrijzenis van de gelovige”, zegt Culliton. “Irenaeus spreekt over christenen wanneer hij zegt: ‘degenen in het vlees zijn gevoed met het lichaam van de Heer en met zijn bloed.’ Dat betekent, zij die geloven in Hem die gekruisigd was voor hun zonden zijn gevoed met het lichaam en bloed van de Heer” (cursivering is van Culliton). Maar hij vergist zich. Irenaeus spreekt duidelijk over de impact die de eucharistie op een gelovige heeft, en bevestigt daarmee wat Jezus in Johannes 6 leert, niet wat er gebeurt wanneer iemand eenvoudigweg instemt met de verlossende werkelijkheid van Christus’ dood en verrijzenis voor die persoon.

“Irenaeus zegt dat het brood niet langer gewoon brood was,”voegt Culliton toe, “waarmee het zijn status als brood behoudt; en de katholieke bisschoppen zeggen dat het in het geheel niet langer brood is.” In werkelijkheid ontkent de Kerk niet dat de eucharistie symbolische waarde behoudt, maar staat ze erop dat de substantie van het brood er niet meer is na de consecratie, omdat het de substantie van Christus’ lichaam en bloed, terwijl de verschijningsvorm (of “accidenten”) van brood en wijn aanwezig blijft.

Bovendien sluit Culliton de ogen voor Irenaeus uitspraak:

als de Heer van iets anders was dan van de Vader, hoe kon Hij dan rechtmatig het brood nemen, wat van dezelfde schepping is als het onze, en belijden dat het Zijn Lichaam is en bevestigen dat het mengsel in de beker Zijn Bloed is? (Tegen Ketterijen 4:33.2; cursivering toegevoegd).

Culliton negeert ook Irenaeus behandeling van de eucharistie in boek V, hoofdstuk 2.2, waarin de heilige zich baseert op de leer van de heilige Paulus in 1 Korinthiërs 10 om mensen antwoord te geven die de werkelijke tegenwoordigheid ontkenden:

Hij heeft verklaart dat de beker, een deel van de schepping, Zijn eigen Bloed is, van waaruit Hij ons bloed laat stromen; en het brood, deel van de schepping, heeft hij vastgesteld Zijn eigen Lichaam te zijn, van waaruit Hij onze lichamen doet groeien. Wanneer, daarom, de gemengde beker [wijn en water] en het gebakken brood het woord van God ontvangen en Eucharistie, het Lichaam van Christus worden, en van daaruit de substantie van ons vlees vermeerderd en ondersteund wordt, hoe kunnen zij dan zeggen dat het vlees niet in staat is de gave van God, wat het eeuwig leven is, te ontvangen—vlees wat wordt gevoed door het lichaam en bloed van de Heer, en in feite een deel van Hem is?”

Inderdaad, de Kerkvaders zagen in dat er ketters waren in de vroege Kerk die de werkelijke tegenwoordigheid ontkenden, en toch heeft de foutieve leer van deze ketters niet beklijfd, terwijl de Kerkleer—vgl. Matteüs 16, 18, 1 Timoteüs 3, 15—dat wel heeft gedaan. Dat is omdat Jezus zijn werkelijke tegenwoordigheid in de eucharistie leerde, en heeft beloofd zijn Kerk binnen te leiden in alle waarheid.

Tom Nash gaat dieper in op de eucharistie in zijn boek The Biblical Roots of the Mass, uitgegeven door Sophia Institute Press.

Dit bericht verscheen eerder op Catholic Answers.

Wil je meer lezen over de eucharistie? Bezoek dan deze berichten:

God aanwezig in het Brood

Christus aanwezig in de eucharistie

Het offer van Calvarië en de heilige Mis